Paul Moeyes

Geen evenementen

Inhoudsopgave

Anna Ekker, bezoek aan Sedan 1902

In november 1902 publiceerde de Nederlandse schrijfster Anna Ekker haar verslag van een bezoek aan Sedan, waar begin september 1870 het Franse leger van keizer Lodewijk Napoleon verpletterend werd verslagen door de Duitse legers onder de Pruisische koning Wilhelm I en zijn chef-staf Helmuth von Moltke. Het betekende het einde van het Franse keizerrijk. De Frans-Duitse Oorlog duurde nog tot januari 1871, toen ook de nieuwe Franse Republiek zich gewonnen gaf.

Als aanvulling op mijn nieuwe boek Vuistrecht en Wisselgeld hierbij het artikel van Ekker. De illustraties en annotaties heb ik zelf toegevoegd.

Anna Ekker

De slagvelden van Sedan[1]

In de trein, de dorpen en de stations voorbij, ben ik met mijn gedachten al bij het einddoel van de reis! Zola's machtig Débâcle trok mij naar Sedan.[2] De trein nadert. We zijn aan de voorlaatste halt. In een der omliggende dorpen is het marktdag geweest. Op 't station schreeuwen kooplui en boeren in onverstaanbaar dialect. Zij slepen varkens, kippen, manden knoflook en uien met zich in de trein, en uit de chaos van mensen en beesten dampt een nijpende, ademstokkende walm. Daarna Sedan, het door de toerist vergeten Sedan!

sedan anna ekker 1902 8 20210316 1932212911

Op het plein van het station staan een paar verweerde, slechte wagens met ruige, stijve paarden, mat en aftands, als in gemijmer verzonken over de vreselijke tijd. Al knikkebollend en druilend, gedenken ze het kanongebulder en 't tromgeraas, sein voor het sauve qui peut op die gedenkwaardige 31ste augustus. Hebben ze wellicht meegedaan aan de vlucht voor de ‘Prussiens’? Arme, rossinanten! echt materiaal voor oudheidlievende koetsiers, die met u pronken als met de enige antieken hunner geplunderde veste. Schimmen uit spookhistories en slechte dromen!.... O! die ingevallen ruggen en hoekige ribben, die grote koppen met droefverwijtende ogen!  Oude, versleten paardjes van Sedan; hoe komt ge mij nu nog, bij het ontmoeten op de weg van een hongerig, afgetobd beest, telkens in de gedachten! Staat ge er nóg, stille, sjofele dieren, voor die kasten van verschoten leêr en aan flarden gescheurde zeilen, met koetsiers op de bok als vogelverschrikkers uit een kersenboomgaard, de hoge, vale hoeden op 't hoofd?....

Als een lichtstraal blonk tussen al die tekenen van verval een omnibus met glanzend leder en gepoetste treê. Het paardje was glimmend en vet. De koetsier in blauwe livrei droeg vergulde knopen. Hij wees mij op die rammelkasten met ooggeknip dat zei: ‘geen mens neemt die, gij ook natuurlijk neemt mijn spul....’ en hij opende 't portier, 'k stapte in, en het ratelde over de hoge keien naar het hotel la Croix d'Or.

sedan anna ekker 1902 5 20210316 1620353785

Daar boog beleefd de hotelier en hielp bij 't uitstappen; dan keek hij tot in de hoeken van het voertuig, als zocht hij de bij de vrouw noodzakelijk behorende echtvriend. Maar hij vond hem niet, slechts regenscherm, klapstoel en - Zola. Toen scheen er een licht voor hem op te gaan, en ik vroeg, tikkend met de vinger op het omslag: ‘komen er meer hierom?’
‘Zeker.... maar....’
‘Geen vrouwen, slechts mannen, wilt u zeggen....’
‘Juist. Monsieur Zola heeft mijn naam in het boek genoemd.’
‘Komen ze daarom hier?’ vroeg ik plagend.
‘Niet alleen daarom. Ze zijn nieuwsgierig en willen Les Dernières Cartouches[3]  bezichtigen.
Heeft de Neuville niet overdreven?’
‘Niet in het minst. U moet zelf maar oordelen.’
‘Bestaat het huis dan nog?’
‘In zijn geheel. Het is gebleven zoals de oorlog het heeft gelaten.’

Hem volgend naar zijn kantoortje vroeg ik naar de veldslag. Hij antwoordde niet veel, maar gaf mij een stuk papier: ‘daar, bekijk dat op uw gemak.’ Ik vouwde het open en wilde er iets over vragen, maar hij vertrok haastig en zei nogmaals met nadruk, dat ik die kaart rustig als ik alleen was, moest bestuderen. Het was de plattegrond van de veldslag.

De table d'hôte ving aan. 'k Zat aan een lange tafel met slechts drie personen, heren in burgerkleding, tegenover me. Aan een tweede, verder in de zaal, hadden een twintigtal officieren plaats genomen die ieder op hun beurt naar mij, une dame seule, als iets zeer ongewoons, keken. Ja, ik was de enige vrouw hier. Nu werd het mij duidelijk waarom de hotelier zo tot op de bodem van de wagen naar mijn beschermengel gezocht had! Er viel niets beters te doen dan onder de intermezzo's van het diner de plattegrond eens in te zien.

Toen ik die uithaalde en openvouwde ging er aan de andere tafel een onmiskenbaar gemompel op. Het werd zo luid dat ik opkeek, en ik bemerkte dat de officieren honend en kwaadgemutst zich hadden omgedraaid en me fixeerden. Een vragende blik op de drie personen tegenover mij deed de jongste beleefd antwoorden: ‘daar worden ze hier liever niet aan herinnerd. Bekijk die kaart op uw kamer alleen.’

Na afloop van het diner, drentelend door de straten en langs het exercitieveld van Sedan, moest ik wel denken: een saaie boel en niets te zien. Gerust kon ik hier zonder aanstoot te geven de veldslagkaart bekijken. De rode strepen stelden de Franse legerkorpsen voor, de zwarte de Duitse. Wat waren de Fransen ingesloten! Letterlijk geen plek om door te ontkomen. Wel stonden de vuurmonden van het zevende Franse tegenover het vijfde en elfde van het Duitse, het twaalfde tegenover het twaalfde van de vijand, maar de lange donkere lijn der Duitsers sloot als een cirkel aaneen. ..... Wel verklaarbaar dus de kreten: ‘Nous sommes trahis.....’[4]

De volgende dag vroeg ben ik op weg naar Bazeilles. De weg is eenzaam, het terrein daalt en stijgt. De dragonder met zijn zwarte paardenstaart afhangend tot het middel, bij zijn kazerne op schildwacht, houdt me van verre reeds in 't oog en als ik hem voorbij ga, vraagt hij schalks: ‘madame n'a rien à me dire?’ Neen, ik heb niets te vertellen, wel wil ik de richting weten naar Bazeilles. Naar mijn klein notitieboek wijzend, vraagt hij wat ik daar heb. Op mijn antwoord dat ik de kunst van het proza tracht te dienen, geeft hij zijn wens te kennen het voorwerp zijner belangstelling in te zien. ‘S'il vous plaît.’ Hij bladert in 't boekske en ziet doorhalingen, krabbels en onregelmatige, kort onder elkaar geschreven regels, de onmiskenbare tekens der rijmelarij. Dan zegt hij goedig, 't mij teruggevend: ‘Mevrouw moet dat wegstoppen... niet onderweg aantekeningen maken; Mevrouw kan er anders nog eens last van krijgen.... Vous savez, de l'espionnage!’....

sedan anna ekker 1902 7 20210316 1438089240

Wat! ik zou nog achter slot en grendel kunnen komen, voor een krijgsraad gebracht en vastgehouden worden tot het bewijs van mijn onschuld geleverd was, omdat geen Fransman in staat is Hollands te lezen en te verstaan? Ik kon niet nalaten te denken aan de mogelijkheid hoe ik vis-à-vis de commandant van Sedan deze onthalen zou op b.v. deze vleiende lofzang: Je ris de leurs peines, je me moque de leurs têtes, / Je trouve après-tout, les hommes trop bêtes! of hoe ik declameren zou: J'aime les chèvres: leurs petites moustaches / Sont mille fois plus douces que les cornes des vaches!

'k Was zo gerust dat deze schitterende rijmen deugdelijke bewijzen van volslagen gebrek aan goede Franse taal en gemis aan strategische kennis zouden zijn, dat ik zonder vrees de dingen die komen zouden, verbeidde. De weg naar Bazeilles is aan weerszijden met bomen beplant en van grasvelden omringd. ‘Dat zijn ze, de slagvelden, in La Débâcle beschreven!’ Ik blader in het boek, zie op de kaart en koester de gedachte om zittend op mijn klapstoel midden in het veld, plaats en gebeurtenis te verkennen.

Juist wil ik daaraan uitvoering geven als een karretje komt aangereden. Het paardengeklots dreunt op de stillen, wijden weg. De menner, een vrij bejaarde boer, zegt bonjour en vraagt of ik mee wil gaan. 'k Stap zonder bedenken op de hoge boerenkar en zit naast hem op het bankje. ‘Je kunt nou mee, de kar is leeg; 'k heb net de varkens naar de markt gebracht. Waar moet je wezen?’
‘In Bazeilles.’
‘Dan zet ik je af bij de plek waar maarschalk MacMahon[5] werd gewond. Ik moet verder op.’

sedan anna ekker 1902 6 20210316 1361908709

‘Herinner jij je nog iets van de oorlog?’
‘Wat blief?!’... Hij rukt aan de leidsels en slaat het paard, de wagen schokt en schudt, mijn hoofd vliegt heen en weer.
....‘Of ik me iets van dien goddeloze oorlog herinner?.... Drie zoons heb 'k er bij verloren.... drie!.... en dan?.... Alles is gestolen, gebroken, verbrand. Ik had vier en twintig koeien, een hoop schapen en geiten, een prachtige boomgaard. Ook een eigen huis met zuurverdiend huisraad. Alles ben ik kwijt - alles. Mijn vrouw is van verdriet gestorven. Nou ben 'k alleen en mag 'k God danken dat ik af en toe een paar beesten naar stad brengen kan. Ah j'ai crèvecoeur!... crèvecoeur!’ roept hij wild en hartstochtelijk uit en tegelijkertijd vliegt hem een verwensing tegen de Pruisen van de lippen. Na een ogenblik vervolgt hij: ‘Alles werd hier plat getreden en verwoest,’ – hij wees met breed gebaar op het onbebouwd terrein, golvend langs de weg - ‘er waren hier huizen, groot en klein, akkers en weiland. De beesten brachten wij ter markt en de vruchten vulden onze zolders. Bazeilles was een bloeiend dorp en Sedan een welvarende stad; hier werd het laken geweven, dáár werd het gesneden en verkocht. Vóór de oorlog was het gilde in Bazeilles 500 man sterk, nu zijn er hoogstens 75. J'ai crèvecoeur,’ riep hij weer in gevoel van machteloosheid uit, krinkelend de zweep in de lucht. Toen ineens hield hij het paard in: ‘Zie je die boom? nu, daar lag MacMahon gewond; bij Pourru aux Bois is hij opgenomen en verzorgd. Ga nu deze weg al maar recht door, dan vindt je een eenzaam gelegen huis; dat is het eigendom van madame Bourgerie: ‘les Dernières Cartouches.’
‘Bedankt voor je rit,’ zeg ik, afspringend; ‘dat er nog eens 'n goede tijd voor je mag aanbreken.’
‘Die kans is niet groot. Bon voyage.’ Toen kletste de zweep over het paardje en de man reed weg.

‘Ben ik hier bij madame Bourgerie?’ vroeg ik, voor een klein huis stilstaand. Een oude, aan het been sukkelende vrouw bewoog zich zoo goed het ging en heette mij welkom. Ik stond thans op de drempel van het woonvertrek, de ogen wijd geopend, sprakeloos en vol verbazing. Dit was het model van de Neuville's vermaarde schilderij ‘les Dernières Cartouches.’ De muren en de vernielde vloer, de gaten in de zoldering en het buffet herkende ik onmiddellijk. Daarenboven had het lezen van Zola’s werk zoo volledig indruk op mij gemaakt dat weinig nodig was om mijn fantasie in de weeën en ellende van de oorlog te verplaatsen. Madame Bourgerie, gewend aan de emotie die het zien harer woning op de bezoeker teweegbrengt, laat me stil aan mijn beschouwingen over en ik kijk naar de ontelbare kogelgaten in zolder en wand, en naar de hangklok die scheef hangt en stilstaat.

sedan anna ekker 1902 1 20210316 1441709614

Alphonse de Neuville, ‘Les Dernières Cartouches’, geschilderd in 1873.

‘Aan die hebben we niet geraakt, die hangt en wijst het uur zoals de kogels haar hebben getroffen. Weet u wel dat ons huis enig en alleen van alle overgebleven is? Alle zijn tegen de grond geschoten of verbrand. Van het mijne uit werd de laatste patroon verschoten.... Als u lust heeft, ga dan de andere kamer binnen, daar ligt een deel van wat later op het slagveld rond onze woning en op 't erf is opgeraapt. We verzamelden het tot een soort museum.’

Zij overhandigde mij de catalogus; daarin hadden zij en haar zoon de voorwerpen beschreven en genummerd. Ik stond er tussen en keek rond.
‘Wanneer is monsieur Zola hier geweest?’ vroeg ik.
‘'k Weet niet of hij hier geweest is,’ antwoordde madame Bourgerie.
‘Hij móet hier geweest zijn; hij heeft een groot boek over de oorlog geschreven - hij moet dus hier geweest zijn.’
‘Hier heeft u het boek met de namen der bezoekers; zoek hem uit.’
Onder de indruk van al dat oorlogsmateriaal om me heen, vroeg 'k madame mij toe te staan lang en alleen in het museum te mogen vertoeven. ‘Ik ben opzettelijk naar hier gekomen om indrukken van die oorlogstijd te verkrijgen.’
‘Goed,’ zei de vrouw, strompelde voort en liet de bezoekster in meditatie-eenzaamheid achter.

sedan anna ekker 1902 4 20210316 1933833501

De twee ineenlopende vertrekken zijn vol herinneringen en overblijfsels van het slagveld. Daar liggen zij bij elkander: geweren, bajonetten, lansen, sabels en pistolen van vriend en vijand. Bloedige getuigen der weeën en smarten die het ene volk over het andere bracht. Werktuigen van verminkings- en verdelgingskracht. Gehele mannenheiren stierven kreunend, krimpend op het veld van eer, terwijl zij die de verloren slag overleefden zich de bijtend-brandende begeerte naar wraak voelden ingedroppeld, die hun leven vergiftigde. De kop van een doorschoten Württembergse adelaar ligt naast de gespleten aigrette ener Franse képi. Vernielde sjako’s liggen naast gehavende Saksische epauletten; verbrijzelde Hessische helmen naast verfrommelde Pruisische schapska's. Daar toont zich een kuras als een zeef doorboord van de kogels - daar zie 'k slobkousen van turco's, broeken van zouaven... doorschoten, bebloed, aan flarden en verzengd. Winchester- en Werder-geweren, chassepots, karabijnen, granaten van 't systeem Krupp, Maucourant, Dreyse- en Shrapnel-bommen van 80 kilo's gewicht: allen hebben hun dodelijk werk verricht.

Arme helden! Uwe medailles liggen hier gedeukt en kapot: Franse medailles van St. Helena, van Mexico, van de Krim, van Italië, van Mentana[6] – ridderkruisen van het Legioen van Eer naast de Pruisische van 1864 en 1866.[7] Daartussen de banier der Duitse ambulance en het witte onderwerpingsdoek dat dienst deed op de citadel van Sedan.

sedan anna ekker 1902 3 20210316 2093075035

Een Franse officier toont op de muren van Sedan de witte vlag ten teken van de Franse capitulatie
(London Illustrated News, 17 september 1870)

Thans rusten naast elkander de Pruisische trom en de Franse patroontas, de spade, de bijl en het kapmes van de pompier en de geniesoldaat; en, tussen die wanorde in, kaartspelen van Fransen en Duitsers, een biljartbal en half gesmolten kandelaars uit de verbrande kerk van Bazeilles. Op Saksische ceintuurplaten zie ik de woorden: providentiae memor, op een Pruisische: suum cuique; dan ligt er iets dat zijn roeping gemist heeft: een amulet. Plastisch vertoont zich hier de kracht van het lood: van een lans door een kogel gebroken, is het ijzer door hitte en schok verdraaid tot een spiraal. Als een spotternij in deze chaotische ruïne: orders van kommandant Ritgen, Knobelsdorf en kolonel Kiliani,[8] een topografische kaart van het slagveld van Sedan, en veldtelegraafdraden. Vaatjes van marketentsters! Wél moest voor deze onzalige krijg kunstmatig de moed worden ingedronken.

Beklagenswaardige Louis Napoléon! Daar achter de glazenkast van het, in deze lichtzinnig-aangegane oorlog en tot slachting gekeerde veldslag, alleen overgebleven huis, leest men de namen van Frankrijks dapperen: de MacMahon, Denfert, Margueritte, Liébert, Douai, Chanzy, Faidherbe, Canrobert, Lebrun, Bourbaki, Frossart, Cissey, Ducrot, Ladmirault, Vinoy, d'Aurelles de Paladines, de Failly en.... die van Leboeuf en Bazaine![9]

Aan de andere kant die der Duitse legeraanvoerders: van de kroonprins van Pruisen, Bismarck, Von Moltke, Steinmetz, prins Friedrich Carl, Manteuffel, Von Blumenthal, Von Werder, Von Goeben, Von der Tann, Wimpfen.[10] Geflankeerd door een witte en zwarte veer van de postduiven die de tijdingen brachten van het belegerde Parijs, facsimilé's der handschriften van Napoleon III en Wilhelm, waaronder deze geelgeworden kleine brief:

Monsieur mon frère,

N'ayant pas pu mourir au milieu de mes troupes il ne me reste qu'à remettre mon épée entre les mains de Votre Majesté.
Je suis de votre Majesté
le bon frère

NAPOLÉON.

Sedan le 7 Sept. 1870.
Lettre de Napoléon III à Guillaume I.
[11]

Daàr lag een deel van la débâcle, aangrijpend, verbijsterend, overweldigend voor de bezoeker die in de deuken niet alleen de verbrijzeling van voorwerpen ziet, maar zich indenkt in de stroom van het mensenbloed en in de pijn van het mensenvlees, en inleeft in de vertwijfeling der strijdenden en met hen mee voorziet het verlies van de slag, van het leven en van het vaderland. O, was niet onder ieder getroffen en verzengd kledingstuk een man geweest, een wezen van vlees en been, dat mét de slag, de steek en het fluitende lood, de dood heeft voelen aanstormen!

In de andere kamer valt het oog dadelijk op iets, dáár opzettelijk zoo geplaatst, als het toppunt van schuldeloos lijden, verschrikkelijk! ontzettend!.... twee afgeschoten hoeven van een Frans paardje naast.... de verzengde hals, de manen van MacMahons ros.

Net komt Bourgerie fils het vertrek binnen; hij groet, maar ik knik sprakeloos, een beweging van afschuw naar de schoorsteen makend, de handen voor de ogen. ‘Die onschuldige dieren!’ roep ik. En plotseling springt me iets uit de geschiedenislessen van mijn schooltijd te binnen en ik vraag hem abrupt: ‘toon me eens een paar schoenen van Franse soldaten!’ Bourgerie zoekend, vindt er geen. Wel stonden er van Duitsers... Hij trekt de schouders. ‘Ha,’ zeg ik, ‘terwijl het heette dat er geen knoop aan jelui slobkousen ontbrak, kregen de soldaten bordpapieren schoenen die ondragelijke voetwonden veroorzaakten.
‘Hier is niet een! Ze zijn vergaan, verscheurd, tot brei verweekt, zodat het terugvinden, laat staan het bewaren, onmogelijk was.’

Bourgerie zucht. Ineens staat hem weer het verleden voor de geest; hij is te midden van 't gevecht. Hij heeft bij de artillerie gediend en zijn oren hebben gebloed van het geraas; drie dagen bleef hij doof. ‘Op het laatst vochten we één tegen tien. Hier in deze kamer lagen er veertig gesneuveld - op mijn erf 'n honderd. In deze bedstee was een soldaat ongewond onder de dekens gekropen en hij schijnt enkel van ontzetting en angst te zijn gestorven. - Op dat veld dáár,’ en hij wees uit het raam, ‘lagen van de onzen alleen al meer dan vijftienhonderd lijken en een verwarde hoop gewonde en gesneuvelde paarden.... Niemand weet wát een aanblik - wát het geweest is.’

Dan met een klank van doffe wanhoop vervolgt hij: ‘De herinnering maakte mij ongeschikt weer de werkman te zijn die ik vroeger was, en ik verloor helemaal de moed en de lust deze grond nogmaals te bearbeiden....En zóó zijn er zovelen hier. Schijnt het u ongelooflijk? Het is een feit: de herinnering aan die verwoesten bodem, doorsijpeld van 't bloed van zovelen onzer familie en vrienden, heeft bij schier allen de geestkracht verlamd.’
‘Hoe kan men hier nog blijven?’ vroeg ik huiverend.
‘Ja, wat wilt ge? Bodem en gedachtenis houden ons niettegenstaande onszelf vast. Wij verplaatsen ons slecht; wij hebben bovenal onze eigen plek lief. Elk stuk van de vaderlandse grond hangt als een brok aan ons zelf. Dool hier maar rond en hoor hoe de heugenis aan onze verliezen bij allen nog levendig is.... hoé wij wensen de slag terug te geven.’

Zijn handen waren ineens tot vuisten gerond en hij sprak met op elkander geperste lippen op wraaklustige toon: ‘Nous n'oublions jamais!.... REVANCHE.’ Het donderde er uit, over de op en naast elkander gestapelde wrakken van het slagveld, 't echode tussen het staal, 't schudde het stof en hobbelde over de kogelgaten: ‘REVANCHE!

‘Stil, Monsieur Bourgerie!’ riep ik beangst uit. ‘St.... ik hoor stemmen, voetstappen....’ Bourgerie aan 't venster, keek naar buiten. ‘Sind wir hier beim Dernière Cartouche?’.... Ik hoor een vreselijke vloek en zie het purper vliegen over Bourgerie's wangen; een slag dreunt. De deur valt in 't slot. Madame Bourgerie strompelt binnen naar haar zoon, legt de handen op zijn arm en tracht hem tot bedaren te brengen. ‘Wees voorzichtig, Antoine....’
‘Jaag dat canaille daar weg,’ riep hij, ‘of ik schiet er op.’
Wijselijk had de oude vrouw de deuren gegrendeld.
Sind wir hier beim Dernière Car....’
Marsch!’ dreigde hij, en vergezelde dit van een wilde, uitdagende beweging van de schouder. ‘Zou ik mijn huis openzetten voor zulk geboefte.... Pruisen?....doodslaan zal ik ze.... wurgen....’ Op zijn gebalde handen en bij zijn slapen spanden de aderen zich als koorden, in zijn mondhoeken stond het schuim. ‘Antoine....’ smeekte de moeder.... ‘wees toch voorzichtig.... je weet niet wat een ellende het mét zich kan slepen....’ en tegen mij: ‘Zoo is het nu altijd hier; ik leef in voortdurende angst dat hij nog eens met het gerecht te doen krijgt. Hij kan er niet tegen dat ze die scherven komen bekijken.... maar het brengt ons nog wat in de zak - en het leven is hard geworden na '70....’

Nog doolden om het huis de Duitsers rond, maar 't zij ze afgeschrikt werden door het woeste gezicht van de huisheer of eindelijk begrepen dat daarbinnen geen plaats was voor hen, vergenoegden zij zich huis en erf te bekijken en elkander te wijzen op het veld en de voornaamste punten. Bourgerie's heftig temperament stelde mij weinig op mijn gemak; 'k kocht in allerijl een foto van de Neuville's schilderij en snelde naar buiten.

En op dat land, op die bodem werd het mij duidelijk: zolang iemand in die streek vertoefde, zou hij een niet af te schudden zwaarmoedigheid mee te torsen hebben. Het beeld dier twee mensen, die na de grond rood van bloed en opgehoopt van lichamen der hunnen te hebben gezien, genoodzaakt waren in datzelfde huis en diezelfde omgeving te blijven, zonder enige afleiding die de bijtende herinnering ook maar enigszins kon verzachten... hoe drukte dit alles mijn geest. ‘Hoe overleeft men het? hoe kàn men hier leven?’ riep 't in me. Want niettegenstaande een zonnige augustusmorgen hing over de velden - de slagvelden - het lome, het zwaarmoedige der verslagenheid neer.

Had ik het niet een schitterende gedachte gevonden midden in het slagveld met kaart en aan de hand van Zola het terrein van La Débâcle te verkennen?.... Maar daar op die velden alleen, en vrij de loop latend aan de emoties, voelend in de heftige spanning mijner gedachten wat hier af is gespeeld, verliet mij opeens alle geestdrift en onderzoekingslust, vielen boek en kaart neer en legde ik me moe op de zoden van de grond, die eens voor duizenden het doodsbed - en het bloedig veld van eer was geweest.

II.

Het was middag geworden en hoewel de zon op de vroegere slagvelden brandde, scheen mij de temperatuur eer koud dan warm. Ik maakte de knapzak los om iets te gebruiken. 't Smaakte slecht, de stukken bleven steken. 'k Stopte alles weer weg en langzaam, stilgestemd ging 't verder. Mijn plan was door Bazeilles, het dorp, te gaan en er te praten met de boeren en wevers.

Er is weinig afwisseling in het landschap; Bazeilles is een dorp als ieder ander en heeft hellende straten. Na het vertrek van het huis Bourgerie, had ik mij op de lange, eenzame tocht voortdurend bezig gehouden met het denken aan de leeftijd van mens en ding om die in verband te brengen met het jaar 1870. Dat was mij zulk een drang, zulk een obsessie geworden dat ik er niet mee had kunnen ophouden. Ik heb 't aan de bomen, aan een hek, aan een sloot, aan weggetje en brug gevraagd: waren jelui er toen de oorlog hier woedde? Heb je hem bijgewoond? en jonge kinderen ziende, dacht ik: ‘op jelui moeders schoot, op vaders arm, heb je sprakeloos naar de historie als naar een spookvertelling geluisterd. En als ik mannen in de kracht van het leven tegenkwam, stelde ik me voor hoe zij als jongens hebben moeten vluchten, en gezien hebben wat ze nooit zullen vergeten. En voortlopend, moe, gedrukt, vergeleek ik mijn stemming bij de demoralisatie van die strijdende mensen, terwijl ik de weg die nog als een lange streep voor me lag, als een peulschil beschouwde in vergelijking bij de urenlange, meestal onnodige marsen van die mannen, die, slecht geschoeid en onvoldoende gevoed, bijna geen rust kregen.

Eindelijk, en goddank, zit ik in de kleine dorpsherberg uit te rusten. 't Is een weldaad niet meer alleen te zijn en over iets anders dan waarover ik denk, te kunnen praten. Na de lunch wandel ik op en 'k spreek met de mensen die ik tegenkom, eerst over het weer en de weg, en hoor ze dan uit over de oorlog. Hoe gemakkelijk is het de gevoelens van pijn en wrok te voorschijn te roepen! De oude wond bloedt nog - is helemaal niet genezen! De aangesprokenen, mannen en vrouwen, eindigen allen met de uitroep: ‘j'ai crèvecoeur!... crèvecoeur!’ Hoe is de welgesteldheid der boeren verminderd, is van de wevers de glorie verdwenen! Over heel Bazeilles hangt een melancholische atmosfeer. Er is daar niets vrolijks. Hoe zou 't ook kunnen?... Laat eerst zij zijn verdwenen die nog de velden bekijken als slagvelden vol dode vrienden, laat eerst een nieuw geslacht zijn gekomen en daarna nog één. Dan zal wellicht de lach over het land weerklinken; van de thans levenden hoort men die niet.

'k Klopte aan een woning en ben die binnengegaan op het vriendelijke: ‘Wees welkom’ van een zestigjarige vrouw. Hier woont Madame Bouvien. Bouvien was een der grootste lakenwevers van zijn tijd en een vurig protestant. Als ik de vrouw het doel mijner reis vertel, betrekt haar gezicht. Ze heeft door de oorlog haar man, twee zoons en drie schoonzoons verloren. ‘Dit is alles wat mij restte.’ Zij wijst op een klok, een ijzeren pot en een strijkijzer, en zegt dat beide laatsten een meter diep in de grond zaten gedrukt. ‘Bouvien,’ vervolgde ze, ‘was hier iemand van veel invloed. 's Avonds, als het werk gedaan was, verzamelden de geloofsgenoten zich rondom hem om hem de courant te horen voorlezen. Mijn man was een der weinigen die lezen konden en onder de wevers de enige die geregeld zijn dagblad ontving.’ En na een wijle in gemijmer te zijn verzonken, vervolgt ze: ‘Het is vreselijk in de oorlog niet alleen je kostwinner en zoons te verliezen, maar ook je huis en je huisraad, en ternauwernood de plek te herkennen, waar meer dan vijftig jaren lang je eigendom heeft gestaan.’

‘Maar hoe is u er weer boven op gekomen?’ was mijn vraag, daar ik bij de eersten oogopslag een hoge, brede, zeer mooie, ouderwetse kast had ontdekt en een ledikant, beide van donker eikenhout.

‘Dominee Gulden heeft onze belangen behartigd. Hij ging naar Engeland en bedelde daar voor ons arm beroofd volk om meubels. En de Engelsen zijn mild geweest. Dominee kwam met een grote bezending kasten, ledikanten, stoelen en tafels terug en deelde die onder ons uit.’

't Was half vier geworden, het uur waarop de werkende stand in Frankrijk zijn boterham met koffie of wijn gebruikt. Madame Bouvien zette de koffie. Iemand stak het hoofd om de deur en een paar armen zetten een mand aardappelen om de hoek. ‘Kom binnen, Lisette.’

‘Heb je bezoek?’

‘Kom binnen. Er is hier een dame waar je niet bang voor behoeft te wezen.’ De twee vriendinnen begroetten elkaar, waarna de nieuwgekomene plaats nam en over de duurte van vruchten en groenten begon te spreken. ‘Wij doen ménage à deux, dat is voordeliger. De een gaat naar de markt en de ander houdt het huis schoon en de kousen heel,’ zegt Madame Bouvien en spreidt een wit servet over de tafel, zet drie grote drinkkommen op, twee potten gelei, een ronde schotel met brood en het mes. Het zag er smakelijk en kraakhelder uit. Lisette begon de aardappels te schillen, terwijl de ander uit de wit stenen koffiekan de kommen vulde. Lokkend verspreidde zich de geur in het vertrek. ‘Daar,’ zeide de weduwe tegen mij, ‘snij gij nu eens brood’, en met een olijk gezicht lei ze me een witten doek tegen de borst, plaatste het enorme kinkhoornvormige brood op mijn schoot en gaf me het lange mes in de hand. ‘Ik brood snijden?’ riep ik uit. Ik deed mijn best en met het vlijmende staal sneed ik lange dunne schijven. Zodra er een plak in de bak viel, nam Madame Bouvien die er uit en besmeerde ze met doorzichtige kersen- en bessengelei, stapelde ze op elkander, sneed ze door als wij doen met een stapel rietperenflensjes. Toen gingen we er bij zitten en ik at smakelijk mee.

Vier uur. Het hek van de kleinen tuin kraakt en even daarna steekt een man het hoofd door de deur. ‘Ben jij 't, Emile? kom binnen,’ roept Madame een vijftigjarigen man toe, die de beide benen mist en wiens bovenlijf, niet meer dan een romp, schommelt tussen twee krukken. ‘De wever uit het achterhuis,’ fluistert zij en gaat hem tegemoet. Madames huis werd in verschillende gedeelten verhuurd, waarvan Emile Marchet het kleinste gedeelte bewoonde. 'k Voorvoelde dat hij door de oorlog zo was verminkt. ‘Een Hollandse dame, Emile, hier gekomen om ons land te leren kennen,’ lichtte Madame hem in. De wever salueerde en zette zich daarna met veel moeite op een stoel.

‘Wat komt u hier doen?’ vroeg hij ietwat bokkig, zich tot mij wendend.
‘Ik wenste Sedan te leren kennen... en...’
‘En u wilt weten of wij de slag al te boven zijn?... Sacré nom de Dieu, jamais!’ riep hij, de vuisten op tafel slaand, uit. ‘Af en toe komen hier vreemdelingen en tegen allen die ik sprak, heb ik hetzelfde gebruld: jamais!’ Hij draaide het bovenlijf heen en weer met een beweging van bijtend hartzeer. Zijn hele wezen scheen in verzet. De twee vrouwen vielen hem bij en een ernstig ‘jamais!’ klonk van beider lippen. ‘JAMAIS....

Nu nam de wever zijn kom koffie, slikte en klokte als moest hij iets naar binnen spoelen, en een ogenblik was dat het enige geluid in het vertrek. ...‘Voor één ding is het verlies van mijn benen een buitenkans,’ riep hij op cynisch-sarcastische toon uit. ‘Als 't je nu hier zit,’ en hij wees naar zijn keel, ‘en je drinkt om je ellende naar beneden te duwen, dan behoef ík ten minste niet bang te wezen voor 't pootje.’ Hij schaterde het uit, maar de onmiskenbare bitterheid en ononderworpenheid aan zijn lot, die daarin uitkwamen, deden mij rillen.

‘La patrouille allemande passe!
Baissez la voix, mes chers petits.
Parler français n'est plus permis
Aux petits enfants de l'Alsace....’[12]

‘Dat zingen ze bij mijn zuster, daar in de Elzas!... Ha, ha, ha!... is 't niet mooi?’... Met een bleke, magere hand streek hij zich door de haren. ‘Wat zegt gij er van, Madame Bouvien?... Gij hebt Emile Marchet wel anders gekend dan het restant kanonnenvlees dat nu op twee stokken rondspringt. Ge hebt hem wel anders gekend.... Beware! niet meer te kunnen meedoen als 't zo ver komt... als de dag der vergelding dáár is... EN DIE KOMT - HA HA! DIE KÒMT - DAT 'S ZEKER... ZEKER.’ Het was afzichtelijk, de kwellingen te zien die zijn verwoest lichaam uitstond.

‘Is u buiten de kom van 't dorp geweest? Ik ben er tóen geweest,... ik heb gezien hoe de lijken op elkander gegooid, de hele buitenwijken langs, dienstdeden als wallen. Wallen van lijken!... je herkende dan ineens onder de chaos de witte, verwrongen gezichten van je vrienden; Fransman en verd.... Pruis als ratjetoe dóór en óp elkander geplakt, en wij er achter te mikken... tot onze laatste patroon. Je werd ziek van de stank - de straten waren rood van 't bloed. Ik heb een leeg blik gezien dat op het bloed de hellende straat af naar beneden dreef.... De Maas, rood van bloed - en die maakt hier zes grote bochten. Ja, rood was ze,... róód ván blóéd. 't Is geen frase... echt, rood van bloed!’

De stilte pijnigde, toen Marchet ophield. - ‘En,’ vervolgde hij, zich plots tot mij wendend: ‘heeft u het kerkhof gezien, en het nieuwe dat ze bouwden? Dáár valt over te denken,’ riep hij uit. ‘De volgende week, 31 augustus, is het tweeëndertig jaar geleden dat in de vroegen morgen, onder een zware mist, de trom werd geslagen voor het sauve qui peut, en de non-combattanten hals over kop in paniek vluchtten naar de Belgische grens, naar Bouillon.’

Weer hield hij een ogenblik stil, dan voortgaande als iets zachters zoekend in zijn herinnering: ‘Kolonel Lambert,[13] wie toen met enkele soldaten door de goedertierenheid van een Pruisisch officier het leven gelaten werd, heeft later ieder jaar uit erkentelijkheid die Pruis bezocht.’ Marchet zweeg en in het halve uur dat hij nog bleef, kwam geen woord meer over zijn lippen. Toen greep hij zijn krukken, krabbelde op en schommelde weg, plotseling in heftige verwensingen tegen die stokken, zijn lichaam en de Pruisen uitbarstend.

Madame Bouvien, die hem uitgeleide deed, zuchtte terugkomend: ‘Arme kerel! Onze lieve Heer zou een goed werk verrichten als Hij die tot zich nam; hij kan zich niet schikken in zijn lot. Niet alleen zijn toen zijn beide benen versplinterd maar ook drong hem een stuk hout van een hek, waarachter hij stond, in het hoofd, wat hem half gek deed worden van de pijn. Een ander trok het er uit, maar hij is te lang zonder geneeskundige hulp gebleven. De splinters die er nog zitten, bezorgen hem soms buien van melancholie en waanzin, terwijl hij dan alles wat hij verdient, verdrinkt.’

‘Waar is dat kerkhof waarvan hij sprak?’
‘In Floing. Daar liggen al onze arme jongens begraven.’

'k Stond op, nam hartelijk afscheid, dankend voor de genoten gastvrijheid. Toen ging 'k weer de stillen weg op van Bazeilles tot Sedan, naar la Croix d'Or terug.

III.

Die nacht waren mijn zenuwen niet rustig; geluiden noch duisternis kon ik verdragen. Huiverend door het geziene in Bourgerie's museum, rillend van 't gehoorde en ondervondene in Bazeilles, verschenen mij telkens die afgeschoten paardenhoeven, de verschroeide manen, het verwilderde hoofd op de slingerende romp van Marchet. Die spookverschijningen schenen nu eens weg te schuilen in de hoeken mijner kamer, dan weer dreigend vóór me te staan. Als iets ons sterk heeft doen lijden en de nacht gaat over onze aandoening heen zonder slaap te geven, dan overvalt ons in de morgen wel een lichte sluimer, maar even later vliegen wij met een schok overeind, ogenblikkelijk helder bewust van 't geen ons hindert.

'k Stond 's morgens op met een gevoel van grote gedruktheid. 't Is zondag, en zonder iemand te spreken ga ik na de lunch uit, volg de weg der wandelaars naar het oude kasteel, waarin Turenne[14] werd geboren, tot Balan, de heuvel waar Napoléon III zich tijdens de veldslag opgehouden heeft, en ga la route nationale terug voorbij Fresnois, langs het huis waarin de samenkomst van Napoleon en Bismarck heeft plaats gehad.[15] Enkele minuten verder bevindt zich bij la Croix Piot het kasteel Parcy, tóen de legerplaats van de Duitse staf. In Donchery zal ik rusten en dan weer teruggaan naar Sedan. Het is zeven uur en aan de hemel zijn donkere wolken gelegerd, wild, woest voortgedreven door de wind. Voortlopend op de door de voetgangers gebaande, smalle landweg weet ik nog niet waarheen ik zal gaan, totdat de grafheuvels van drie à vier meter hoogte en ongeveer twee meter breedte, met hun eenvoudige houten kruisen en de opschriften à nos braves, à nos amis, Amour et Patrie, die ik bij tien-, nee twintigtallen voorbijga, mij het kerkhof van Floing in herinnering brengen, waar, zooals Marchet vertelde, alleen soldaten begraven liggen. Dat ik mij dit niet voorstelde gelijk het was, is te begrijpen. Wie zou na de zovele hoge en brede dodenheuvels langs de weg, de rustplaatsen der gevallenen - gemakshalve in massa's op elkaar gelegd tot ontruiming der velden - ook kunnen denken dat er nóg een groot stuk grond nodig geweest was om de lichamen te begraven?

Gedenksteen

Gedenksteen voor generaal der Cavalerie Jean-Auguste Margueritte (1823-1870), die tijdens de Slag bij Sedan ernstig gewond raakte en vijf dagen later aan zijn verwondingen bezweek.

Het is een aangrijpende aanblik, die stille wegen, met die ongelijke en vele lijkenheuvels en hunne spichtig uitstekende kruisen, - dat vlakke, wijd-openliggende land met de kronkelende Maas in het verschiet, in de rust van de Zondagavond onder een hemel met zware, zwarte voortijlende wolken. Zoo hier de mens niet tot het volle besef komt van al het doorstane leed, wat zal hem er dán toe brengen?.... Zonder begrip van tijd en afstand, op het slingerende wegje enkel een jong paartje ontmoetend, bereik ik Floing.

Hier, op de hoeken der straten, zijn ze weer, die heuvels met ruwe rotsstukken bedekt, waarin 't gegrift staat: à nos amis. 't Is of men in een dodenstad belandt. 't Is triest, 't is huiveringwekkend. Om dáár te leven?.... hoe kán men het - hoe wíl men het?

‘Wat komt die dame hier doen?’ vragen kinderen en vrouwen elkander. 'k Vraag de weg naar het kerkhof der gevallenen. Men zegt me dat het zondagavond is en half negen, dat dus alles is gesloten. 'k Wil echter niet onverrichter zake terug en laat me het huis van de grafbewaarder wijzen, en vraag hem de dodenakker te mogen bezoeken. De man, in hemdsmouwen in zijn kamer, neemt de grote sleutel van achter de spiegel en gaat me vóór. We doen slechts een paar schreden ter zijde van het huis, dan daalt hij langs een stenen trap van ongeveer acht treden naar beneden, opent het hek en laat me binnen.

Tot mijn grote verwondering en opluchting ontdek ik bijna geen grafstenen, slechts drie rechtopstaande, verweerde zerken; maar de grond staat zo hoog en vol van wilde bloemen dat zij tot mijn hals en hoofd reiken... daarom misschien zie ik de andere zerken niet. Een plek is open, en paars van immortellen.

‘'k Zie niets,’ zeg ik tot de doodgraver, die een bosje dier strobloemen plukt.
‘Maar... híer en dáár.... ze liggen overal....’
Weer kijk ik naar de slecht onderhouden, schuin hellende stenen en tel.. drie, vier, vijf. ‘Ik zie er maar... vijf - dus liggen er maar... vijf?’ Dit zeggende voelde ik wel een fout in mijn berekening... maar de vreselijke waarheid, neen, die vermoedde ik niet. ‘Waren die stenen dan die der hogere in rang misschien, terwijl onder de wildgeschoten bloemen enkel de minderen zich bevonden?...’
‘Maar híer en dáár en óverál,’ is het antwoord nogmaals.
De man duwt mij nu ruw zijn tuiltje in de hand, springt eensklaps hurkend op de grond en roept: ‘ils sont à fleur de terre - mais à fleur de terre! - Dit alles is één kuil, één graf - dertig meter lang bij zeven meter breed en twee en een half diep. Ze liggen naast en op elkander, tot vlak onder de bodem,’ en krabbelend met de vingers haalt hij een doodsbeen te voorschijn. 'k Sprong op, gaf een gil en vluchtte, de rokken opgetrokken, de grond niet meer durvende raken, dwars door de bloemen de trap op. ‘Vijf-en-dertig-honderd liggen er bij elkander!.... Vijf-en-dertig-honderd!...’ roept hij nog.

De immortellen, gebloeid op die lijken, wierp ik met afschuw van me; stom van schrik en ontzetting zat ik neer, bevend over al mijne leden. ‘Ze liggen allemaal náást en óp elkander...’ hoorde ik nog, en toen: ‘U heeft zeker het kerkhof in Sedan nog niet gezien? Dáár is nog héél wat anders, en dat liegt ook niet.’

En de avond viel in; van dat dodenveld terugkerend, liep ik worstelend tegen de angst en de schimmen mijner verbeelding een uur lang, alleen, onder de grimmige, spookachtige hemel, die zijn schaduwen wierp over dat schijnbaar eindeloze veld.....

Het gevolg der folterende indrukken van die historische plekken was, dat ik de ene dag na de anderen liet verlopen zonder tot iets in staat te zijn, en zelfs machteloos was Sedan te ontvluchten. In twee dagen had ik niemand gesproken, niemand gezien, en voelde ik de somberheid toenemen. O! kon ik maar weg. Was er maar iemand die mij een stoot gaf en me wegvoerde van hier! 'k Was nu al zes dagen in la Croix d'Or, en alsof boze geesten mij trokken wéér moest ik naar Claires, Villet, Fresnois en Balan en bezocht ik nog het kerkhof van Sedan.

Het ligt er hoog. Van overal te zien, dominerend de met bloed begoten landstreek, roepend het luguber: Memento Mori. Arbeiders zijn er aan 't werk, en de lange, lage gang ingaand, bevind ik me tussen rijen grimmig-grijnzende geraamten. En deze rijen drie, vier malen achter elkander, herhalen zich en strekken zich meters-ver uit; rechts de Fransen, links de Pruisen, door een één meter brede gang van elkander gescheiden, achter ijzeren hekken tentoongesteld. En met deze expositie: brokken, overschotten, knekels - chaos van op elkander gestapelde delen van geraamten, dat restant van eens bloeiende legers jonge mannen - scheen mij het record van realisme geslagen. Want het valt bijna niet te geloven dat die lugubere dodenrijen werkelijkheid zijn en geen hallucinaties van een droom, spookbeelden van een zieke of zinsbegoochelingen van een gek.

De geraamten, in uniform en ongekleed, vertellen het onloochenbaar hoe benen gesplinterd en handen en schouders afgeschoten zijn, hoe véél en groot de gaten in de schedels en 't voorhoofd; hoeveel karkassen, benen, armen, handen en voeten missen, hoe ribben en ruggengraat als spaanders zijn gespleten. - Bij één drukt, als ingezogen, nog de képi in een groot gat van 't hoofd. Zóó liggen daar duizenden verminkt bij elkander – en op die grijnzende mondholten en doodskoppen starend, gelooft men niet dat deze rusten... de gebroken kaken schijnen zich eerder te spalken tot een schrille, helse vervloeking.

Na deze laatste tocht in het hotel teruggekeerd, werd ik door de eigenaar als volgt aangesproken: ‘pak uw koffer en reis verder, neem een vrolijke afleiding. Ik raad het u beleefd aan.’ Hij haalde de kaart van Frankrijk te voorschijn. ‘Er zijn zoveel mooie plekjes in ons land. Als u van natuur en eenvoudige buitenlui houdt, ga dan naar Riom; mijn zuster woont daar temidden harer druiven. Maak eens een wijnoogst mee, Sedan deugt u niets - ik zeg het u voor uw bestwil.’
‘Naar Riom?.... o, ik kom tot niets.’
‘Wil ik uw zaken bij elkander laten pakken?’
‘Ja, doet u dat - als 't u blieft, doet u dat.’
En terwijl de vrouw van de eigenaar van ‘la Croix d'Or’ de bereidwilligheid heeft mijn valies te pakken, stap ik nog éénmaal naar Bazeilles.

Op een hoogte, vanwaar het dorp is te overzien, neem ik afscheid zonder het een tot weerziens toe te roepen. 'k Kijk nog eens over die velden. Een jongen staat onder aan de weg. 'k Zag hem met kalme bergstap naar boven klimmen. Hij zet zich tegen een boom, kruist de benen en fluit op een kleine, blikken fluit. 't Klinkt lief en zacht en het deuntje zingt voort.... en met zwermen komen, in strekkende draf, holder-de-bolder, als de ratten bij de Vanger van Hameln, van alle kanten witte troepen blanke ganzen. Hoe wilder deze Orpheus floot, hoe sneller de dieren zich repten, rekkend de halzen, klapperend de vleugels, tot de voorsten gekomen zijn waar de herder gezeten is. Dan, zij aan zij en rij aan rij, gaat zonder enige verwarring ieder zijns weegs, terwijl slechts een tweehonderd de fluiter volgen. Als één blinkende massa, wiegel-waggelend op gele poten, kwekkend, hier en daar van het straatvuil iets pikkend, keren zeshonderd dieren, in acht troepen, zonder geleide, naar eigen hoeven terug, enkel door het fluitende deuntje van het uur van terugkeren verwittigd. Deze landelijke idylle verjoeg de sombere gedachten aan dood, en bezield met nieuw leven en nieuwe kracht, snelde ik naar Sedan.... voor het laatst!


IV.

Weer staat het glansvette paardje voor de bus. 'k Vertrek, opgelucht door mijn besluit. ‘Naar Riom,’ is mijn verzoek om een plaatskaart. Ik ben op weg. In de coupé is iemand die Zola persoonlijk goed heeft gekend en mij van hem vertelt.
‘Waar gaat u heen?’ is de vraag, enige stations vóor Riom.
‘Naar Riom.’
‘Wat doet u daar!?’ klinkt het mij verbaasd terug.
‘'t Moet er mooi zijn en rustig....’
‘U vindt er niets,’ zegt de dame. ‘Ga liever tot Clermond-Ferrand, naar Royat.’
‘Werkelijk?’
‘Daar is het vrolijk en mooi, 't is een badplaats met de Puy de Dôme tegenover u en de Mont-Dore in de nabijheid.’
‘De Mont-Dore....?
De Mont-Dore.’
Toen, lachend, schoten mij de volgende regels van de Musset in de gedachten:

Où va l'homme? Où son coeur l'appelle.
L'hirondelle suit le zéphyr,
Et moins légère est l'hirondelle
Que l'homme qui suit son désir.[16]

‘Riom!.... Riom!?.... Neen, verder! Naar Clermond Ferrand, naar Royat!

En in het Auvergne-paradijs bracht ik de zomer door.

 

[1] Uit: De Gids 1902 - Jaargang 66 (Amsterdam: P.N. van Kampen, 1902), deel II, pp. 251-272.

[2] De roman La Débâcle van Émile Zola (1840-1902) verscheen in 1892. Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van het einde van keizer Lodewijk-Napoleons Second Empire: de Frans-Duitse Oorlog en dan met name de Slag bij Sedan (1-2 september 1870) en de Parijse Commune (18 maart-28 mei 1871) die volgde op de Franse overgave.

[3] Alphonse Marie Adolphe de Neuville (31 mei 1835 – 18 mei 1885) was een Franse kunstschilder die studeerde onder Eugène Delacroix. Zijn dramatische en patriottische onderwerpen toonden soldaten in episoden uit de Frans-Duitse Oorlog, de Zoeloe-oorlog en de Krimoorlog. Les Dernières Cartouches (De laatste patronen) is een schilderij dat de Neuville, schilderde in 1873. Het toont Franse soldaten die tijdens de Slag bij Sedan vanuit de Auberge Bourgerie te Bazeilles tot de laatste patroon doorvochten. Zie Vuistrecht en Wisselgeld, kleurenkatern plaat 9 en uitvoerige beschrijving op blz. 366-7.

[4] Het was tijdens de Slag bij Sedan de eerste noch de laatste keer dat de Franse soldaten vermoedden dat ze op een of andere wijze verraden waren.

[5] De Franse opperbevelhebber maarschalk Patrice de MacMahon (1808-1893) raakte in de eerste uren van de strijd gewond en moest zich laten vervangen.

[6] De Sint-Helenamedaille was in 1857 door Napoleon III ingesteld en werd toegekend aan alle nog levende veteranen die tijdens de Franse revolutionaire en napoleontische oorlogen tussen 1792 en 1815 in Franse dienst hadden gevochten. De overige Franse medailles eerden veteranen van de Mexicaanse campagne (1862-1867), de Krimoorlog (1853-56) en de Slag bij Mentana (november 1867).  

[7] De Pruisische medailles verwijzen naar de oorlog tegen Denemarken over Sleeswijk-Holstein (1864) en die tegen Oostenrijk en de een aantal Duitse staten (1866).

[8] Ritgen, Knobelsdorf en Kiliani waren vanaf oktober 1870 drie van de achtereenvolgende plaatselijke Duitse commandanten in Sedan.

[9] De namen van Franse legeraanvoerders. De twee laatstgenoemden, Edmond Leboeuf (1809-1888) en Achille Bazaine (1811-1888) staan apart vermeld omdat ze hun reputatie bij de overgave van de vesting Metz hadden besmeurd. Na de oorlog werd een onderzoek ingesteld waarbij Bazaine als de hoofdschuldige werd aangewezen. Leboeuf legde een voor zijn commandant Bazaine belastende getuigenis af.

[10] Ekken vergist zich. De laatstgenoemde, Emmanuel Felix de Wimpffen (1811 – 1884), was van Oostenrijkse komaf, maar een Franse generaal. Hij nam het opperbevel op zich in de slag bij Sedan nadat maarschalk MacMahon gewond was geraakt. De overige namen zijn die van Duitse legeraanvoerders.

[11] Dit was het aan de Pruisische koning Wilhelm I gerichte briefje waarmee keizer Napoleon III zijn overgave in de Slag bij Sedan aanbood.

[12] In tegenstelling tot wat de liedtekst beweert werd het gebruik van het Frans tijdens de Duitse annexatie van Elzas en Lotharingen (1871-1914) niet verboden.

[13] Kolonel Arsène Lambert (1834-1901) was de Franse commandant. Zijn leven werd door een Beierse commandant gespaard, hoewel burgers die de Franse soldaten hadden geholpen wel door de Duitse overwinnaars werden gedood. Lambert wist later uit Duitse krijgsgevangenschap te ontvluchten.

[14] Hendrik de la Tour d'Auvergne, burggraaf van Turenne (1611-1675) was een beroemd Frans legeraanvoerder en maarschalk van Frankrijk. Tijdens het rampjaar 1672 vocht hij in de Nederlanden.

[15] Zie Vuistrecht en Wisselgeld, blz. 171-2.

[16] Uit: Alfred de Musset (1810-1857), ‘Chanson: Lorsque la coquette Espérance...’.

Copyright from now until eternity Paul Moeyes

paul.moeyes@gmail.com