Fort Osowiec, 6 augustus 1915
Nederlandse kranten noemden het de ‘moerassenburcht’, de Russische vesting Osowiec, gelegen niet ver van de grens met Oost-Pruisen. Het fort was omgeven door drassig terrein, wat het moeilijk benaderbaar maakte en daardoor de defensieve kracht versterkte. De Duitsers hadden vanaf maart 1915 geprobeerd het fort te nemen, maar de frontale infanterieaanvallen waren alle met aanzienlijke verliezen stukgelopen op de hardnekkige verdediging. In de zomer van 1915 gaf veldmaarschalk Paul von Hindenburg bevel voor een nieuwe poging. Verder langs het front hadden de Duitsers vorderingen gemaakt, zodat de vesting Osowiec nu als een Russische uitstulping in de Duitse frontlijn lag. Eén Ieper was genoeg.
Een legermacht van zo’n 7000 man was samengebracht om het Russische garnizoen van nog geen 1000 manschappen te overmeesteren. Naast een artilleriebeschieting zou dit keer ook gifgas de Duitse aanval ondersteunen. Dat betekende wel dat de Duitsers afhankelijk werden van de juiste weersomstandigheden: het wachten was op een zacht briesje uit de juiste windrichting, een te stevige wind zou de gifwolk te snel doen verwaaien en als er een kans bestond op draaiende windrichting zou dat de eigen troepen in gevaar brengen. De inzet van gifgas verhoogde het belang van de meteorologische dienst aan het Hoofdkwartier, niet alleen voor de aanvallende partij, maar ook voor de verdedigende: bij een ‘gevaarlijke’ wind werden waarschuwingen afgegeven dat er een verhoogde kans was op een gasaanval. Toch bleek de weersvoorspelling in de praktijk meer een kunst dan een wetenschap.
